8 mei 1945 - Veroveraar van Amsterdam
“Nick, the conqueror of Amsterdam”

Door Xandra de Bode, tekst gebaseerd op interviews met Niek de Bode uit de jaren negentig en aantekeningen uit diverse jaren.

  

Op de ochtend van 8 mei 1945 trok een aantal Canadese eenheden vanuit hun legerkamp Hilversum op naar Amsterdam. De dag ervoor was daar al een Britse verkenningseenheid van de Polar Beardivisie aangekomen, maar van een grootse intocht van Canadese troepen in Amsterdam was nog geen sprake geweest. Een vreselijke schietpartij op de Dam door nog aanwezige Duitsers had een einde gemaakt aan de uitbundige feestvreugde over de bevrijding. [1] Amsterdam was dus nog steeds levensgevaarlijk. En nu trok Niek de Bode samen met een paar Nederlandse PTT-technici in de legerstoet van Canadezen mee. Brigadier Wrinch [2], die in Hilversum bleef, had het groepje de opdracht gegeven om in het hoofdpostkantoor telefoonverbindingen te leggen tussen Amsterdam en Hilversum.
 
In de HUP
Niek: “Dat moet je meegemaakt hebben, als zo'n hele troepenmacht op weg gaat. Overal soldaten, officieren en alles rijdt en loopt. We moesten overigens helemaal niet in het postkantoor zijn, maar natuurlijk in het telefoonkantoor en dat was in de Spuistraat. Een van ons, Hein Koops, bleef daarom voor de verbindingen in Hilversum achter. Wij zaten in een HUP die werd bestuurd door Ronnie, een Frans-Canadees met een snorretje. Een HUP is een soort militaire bus. Bovenop is een rond gat met een deksel, zodat je er bovenuit kunt kijken.”
De route liep langs het Amsterdam-Rijnkanaal en via de Berlagebrug bereikten de troepen Amsterdam. Niek besefte op een gegeven moment dat de troepen veel te ver doorreden en niet richting de Dam trokken. Niek: “Ik had ook geen idee wat de troepen eigenlijk aan het doen waren. Tot mijn grote verbazing volgde het leger een route door Amsterdam-Zuid. Later hoorde ik dat er een contra-order was gekomen om rechtstreeks naar de kust te gaan en de Duitsers die probeerden via zee weg te komen, de pas af te snijden. Toen die hele legertros mijn richting niet opging, dacht ik: je kunt me nog meer vertellen, maar ik moet naar de Dam toe.”
 
Langs broer Wim
“Als we wel rechtstreeks de stad in waren getrokken, was ik ook nooit op het idee gekomen langs mijn broer Wim te gaan die in Amsterdam woonde. Ik wist het adres en toen we daar langskwamen, heb ik kans gezien om er even uit te gaan. Wim was stomverbaasd om mij daar als legerofficier te zien bij de Canadezen. Ik weet nog goed dat ik hem wittebrood met oranjemarmelade en boter bracht. Dat was natuurlijk een traktatie tot en met. Veel wist je niet van elkaar in die tijd, je kon elkaar niet bereiken. Of, zoals mijn oma zei: "Kun je niet eens even langs oom Jan gaan?" Niet wetende dat er een frontlinie tussen ons en oom Jan lag.”
 
Meisje met vaantje
“Maar ik had mijn opdracht en zo trokken wij, Piet Jochems, Henk Duyts, Gerard Droog, Ronnie en ik hierna in de late morgen naar de Dam, die vrijwel verlaten was. Om de telefoonlijnen te maken, moesten we naar het telefoonkantoor in de Spuistraat. Op de Dam zag je nog veel sporen van de schietpartij van de vorige dag: een kinderwagen en andere spullen, het was een beetje luguber. Er waren wel wat kinderen en die wilden graag op onze HUP zitten. Maar ja, we hadden helaas weinig tijd voor het bekende geklauter op de wagen. Ik heb toen van een meisje van een jaar of negen een zelfgemaakt oranje vaantje gehad dat ik nog altijd heb, heel ontroerend. Daar staan verrekijkertjes op en vlaggetjes. Ik heb dat nog steeds. Het is helemaal vuil, want ze heeft het in haar knuistje gehad, ik heb het nooit willen wassen. Dus het is nog altijd zoals het toen was. Het is mijn dierbaarste trofee. Ik zou wel eens willen weten wie dat geweest is en hoe zij er nu uitziet.”
 
Duitsers in het gelid
“Na de Dam reed de HUP via de Paleisstraat de Nieuwzijds Voorburgwal over. Het was overal erg stil. Daarna draaide de HUP argeloos de hoek naar de Spuistraat om en… de schrik sloeg me om ’t hart! Wat was hier aan de hand?! Tegenover het telefoonkantoor op de stoep van de Spuistraat stond over de hele lengte een rij Duitse soldaten in het gelid, ik denk toch wel een stuk of zestig mensen, geweer in de hand. Mijn eerste neiging was om de HUP stil te zetten en te kijken wat er zou gaan gebeuren. Eén salvo en er was niets meer van ons over geweest, ik zou zelfs geen tijd gehad hebben mijn revolver te trekken om enkelen mee te nemen. Mijn verbazing rees dan ook ten top toen die rijen zich richtten en het geweer presenteerden, onder het geluid van schallende Duitse commando’s en het geklak van hakken. Maar, al gauw bleek het dat het voor mij was! Toen schoot me wel iets in de benen, dat kun je je wel voorstellen. Ze dachten blijkbaar dat ik geallieerd vertegenwoordiger was om Amsterdam over te nemen, maar daar had ik helemaal geen instructies voor.”
Er schiet van alles door Niek heen en woede komt bovendrijven. Niek: “Ik zag daar de vijand staan die vijf jaar lang ons land onrechtmatig in beslag had genomen, leuke en vrolijke, moedige vrienden van mij hadden gemarteld en gedood. Die ons volk had uitgezogen, mateloze ellende en verdriet als gif verspreid had, ’s lands eigendommen had geroofd en meegenomen. Die kinderen belet had die zorgeloze jeugd te ondergaan waar ze het recht op hebben.”
 
De praktische Dutch Boys
Gelukkig waren de mannen in de HUP niet erg onder de indruk. Ronnie kauwde kauwgom en stuurde de wagen voor de trappen van het telefoonkantoor. Piet, Hein en Geert, allen in Canadees uniform, maakten grappen en dat deed Niek weer met beide benen op de grond komen. Niek: “Dat was wel nodig ook. Op de trappen stonden Duitse officieren met veel zilver en petten op. Het moet een belachelijk gezicht geweest zijn: wij met onze koektrommel op wielen, wijzelf ook al zonder kraak of smaak, allerminst erop bedacht met grote plechtstatigheid ontvangen te worden in de hoofdstad van het land. Een anticlimax voor de Duitsers. Maar juist die anticlimax maakte de zaak uiterst gevaarlijk, want uit de min of meer kwaadaardige ogen van de Duitsers, keek mij argwaan tegemoet. Ik droeg een Canadees uniform met een Nederlandse badge. Ik dacht: als ze zien dat ik een Nederlander ben, is het meteen helemaal mis. Ik begon met liegen. Op de vraag of ik namens de geallieerden de overgave van Amsterdam in ontvangst kwam nemen, antwoordde ik dan ook zonder blikken of blozen: “Yes!” De Dutch Boys droegen ook een soort werkuniform waar ‘Canada’ op stond. Ze trokken zich nergens wat van aan en verdwenen naar de hoofdverdeler in het telefoonkantoor om hun werk te doen: een telefoonverbinding met Hilversum zien te maken. De Duitsers waren stomverbaasd en geïmponeerd door het feit dat een groepje militairen uit het verre Canada precies alles wist te vinden in de Amsterdamse telefooncentrale zonder ook maar iets te vragen.”
 
Mee naar de kelder
Niek stapte uit de auto terwijl al die Duitse militairen in de houding stonden en salueerden. Hij salueerde ook maar licht, maar hij wist niet goed welke houding het beste was om aan te nemen. Niek: “Er kwam iemand naar mij toe. Je moet je voorstellen dat je nergens vanaf weet en niet weet wat hierin de militaire gewoonten zijn. Maar dat je gewoon doet. Ik speelde de rol maar. Ik ging de trap op te midden van een paar officieren, daarna weer ergens weer naar beneden toe. Ronnie, de Canadese chauffeur, wilde me niet laten gaan, want hij zag het gevaar. Hem hebben ze moedwillig moeten tegenhouden, ze wilden mij alleen hebben. Ik werd meegenomen naar binnen en kwam in een tamelijk ongezellig betonnen ruimte in de kelderverdieping waar een lange kale tafel stond, maar we gingen niet zitten. Een van die Duitse officieren begon mij vragen te stellen. Of ik inderdaad de afgevaardigde was van het geallieerde leger om Amsterdam over te nemen. Ze waren argwanend en stonden met zeven pistolen op me gericht. Ik wist: één fout en ik ben er geweest! Ik ging zo staan dat mijn Nederlandse embleem onzichtbaar was, wetende dat ze zich nooit aan een Nederlander zouden willen overgeven. Op het moment dat ik moest beslissen wat ik ging zeggen, was er toch wel een moment waarop het leven even langs je heen flitst: dit kon het eind zijn, want als ze ontdekten dat ik geen afgevaardigde was, ging ik eraan. Ik zei: "Ja, ik kom Amsterdam overnemen." Ik geloof niet dat ze vroegen wie ik was. Ze wilden weten wat er moest gebeuren. Tjee, wat moest er gebeuren?”
 
Oranje-Nassaukazerne?
“Toen begonnen bij mij de woorden te stromen; de hemel zij dank dat ik de besprekingen in De Nude had meegemaakt en had ik gezien hoe de Canadese generaal was opgetreden tegen de Duitsers.[3] Dus ik gaf bevelen en dat nog wel aan mijn vijanden. Ik hàd die hooghartige houding, de minachting, ik wilde niet tegengesproken worden. En de Duitsers bogen het hoofd. Ik heb iets gezegd als: alle vrouwen, de telefonistes, kunnen hier blijven, maar alle troepen moeten geconsigneerd worden in de Oranje-Nassau Kazerne, mét hun wapens, en er is een absoluut verbod op het gebruik van wapens, zeker tegen Nederlandse ordehandhavers.”
Niek had eigenlijk geen idee wat hij zei, hij gokte maar wat. “Nu moet je weten dat ik absoluut niet wist of er wel een Oranje-Nassau Kazerne in Amsterdam was. Dus het was riskant om dat te zeggen. Maar ik moest iets logisch zeggen, ik kon niet gaan zwetsen. Maar het bestond, er was een Oranje-Nassau Kazerne. Dus dat was niet vreemd voor hen. Dit bevestigde in hun ogen dat ik inderdaad de aangewezen persoon was. Ik gaf nog wat instructies, maar ik voelde langzamerhand de grond onder mijn voeten wegzakken, want wat moest ik Godsnaam nog allemaal meer doen?” 
 
Op zoek naar de generaal
Langzamerhand kon Niek niets meer bedenken en was hij aan het eind van zijn Latijn. Hoe in Godsnaam verder? Niek: “Aarzelen kon ik niet. Op dat punt aangekomen, beweerde ik dat ik nu nadere instructies moest vragen aan het hoofdkwartier. Dus ik heb iets gezegd als: "We zijn nu op het punt aangekomen dat ik met de generaal moet spreken. Blijft u hier, ik ga naar boven en ik ga met de generaal spreken." Enorme grootspraak natuurlijk, volkomen gek, want er viel niks met een generaal te spreken. Die was toch niet daarboven in het telefoonkantoor in Amsterdam? Ik zei de Duitsers beneden te blijven wachten, wandelde zelfbewust de kamer uit en begaf mij in mijn eentje in een roes naar boven naar de hoofdverdeler.”
 
Leger des Heilspet
“Bij de hoofdverdeler werd ik enthousiast begroet door de jongens met “Luit, we hebben ‘m!”.  Dat bleek te slaan op een rechtstreekse telefoonverbinding met Hilversum. Wat een puur geluk, want de kabel had kapot kunnen zijn! Wat was ik blij met die geweldige kerels die hun hoofd koel hielden. Aan de andere kant van de lijn bevond zich Hein, die als belangrijkste gegeven meedeelde dat hij op een trap stond. “Hein”, zei ik, ”luister goed. Wat er ook gebeurt, maar ik móét hoe dan ook generaal Wrinch hebben. Hij moet onmiddellijk op deze lijn komen.” Hein was niet van zijn stuk te brengen; hij keek rond en zei (en dit is de zuivere historische waarheid): “Er loopt hier wel een kerel rond met zo’n Leger des Heilspet op met een rode band erom”. En verdomd, op datzelfde moment dat ik belde, was generaal Wrinch op die telefooncentrale in Hilversum. Die had overal kunnen zijn. Ik schreeuwde juichend: “Maar die moet ik hebben! Geef hem!” En hij was het, hoe was het mogelijk. Wrinch kwam aan de telefoon en zei: "Hello Nick, how are you?"  "Well sir, ik heb Amsterdam overgenomen, maar ik weet niet hoe ik verder moet. Kunt u niet komen?" "Oké Nick, waar ben je, waar vind ik je?" Ik zei: "Ik sta straks met de HUP op de Berlagebrug. Vandaar zullen we u verder brengen." Wrinch antwoordde dat hij spoedig kwam. Achteraf is het natuurlijk krankzinnig dat ik een heel leger oproep en dat de generaal zegt: "Oké, ik kom".
 
Wachten op de Berlagebrug
Niek ging na dit bijzondere toeval weer naar beneden en meldde de Duitse officieren dat hij met de generaal had gesproken. De Duitse officieren leken zich af te vragen hoe dat in Godsnaam mogelijk was. Niek: “Ik vertelde hun dat ze de bevelen moesten uitvoeren en dat ik de legerleiding ging opwachten op de Berlagebrug. De Duitsers bleven in het gebouw, die hebben wel een paar uur kunnen wachten. Kijk, het Duitse leger had zich overgegeven en dat wisten zij natuurlijk ook wel. Zij wilden zich alleen niet overgeven aan de Nederlanders, ze wilden zich overgeven aan geallieerden. Ik was de eerste ‘geallieerde’ die daar kwam, daarom wilden ze zich wel aan mij overgeven. Maar op een gegeven moment wist ik natuurlijk ook niet hoe ik dat verder moest doen.
Onze HUP stationeerden we midden op de Berlagebrug met de voorkant naar de stad. Het stond er vol met mensen die allemaal verwachtten dat dat leger eens een keer zou komen. Dat leger was dus 's morgens wel gepasseerd, maar niet verder naar de Amsterdamse binnenstad gegaan. Dat was natuurlijk wel een teleurstelling. Ze wachtten eigenlijk op nog meer bevrijders. Toen was die brug te vol volgens mij. Maar er waren padvinders en we vroegen hun een cordon te vormen om de HUP en de brug vrij te houden, zodat we als de Canadezen eraan kwamen, snel konden wegrijden. De padvinders vonden het prachtig om daar dienst te doen.”
Op de Berlagebrug openden de mannen het luik van het koekblik en wachtten op het dak op Brigadier Wrinch die onderweg was met een paar divisies. De mensen keken naar hen en vroegen zich af wat dat allemaal te betekenen had. Het wachten leek oneindig lang te duren, maar op een gegeven moment kwam er beweging in de massa. Niek: “Je voelde dat die massa onrustig werd, het golfde een beetje heen en weer. En inderdaad, op een gegeven moment verschenen om de hoek de jeeps met Canadese officieren, vele roodgebande petten en daarachter een heel leger. Die petten hadden ze voor gelegenheid op, daar kun je niet mee vechten natuurlijk. De jeeps reden de Berlagebrug op en stelden zich zo'n beetje naast ons op. En ik stapte uit en ik ging naar generaal Wrinch. "Waar moeten we naartoe”?" vroeg hij. Ik zei: "Volgt u maar, wij gaan wel voorop". Nou, wij zijn in dat koekblik vooropgegaan en het was net of we de eerste keer Amsterdam binnenkwamen. Dat was dus eigenlijk niet het geval, maar dit keer gingen de Canadezen echt hartje Amsterdam in. Achter ons kwam een hele stoet waarvan het eind niet te zien was. Wij reden in onze HUP naar het telefoonkantoor, ik vermoed dat het nu vier uur in de middag was. Niet alle troepen arriveerden bij het Spui, maar verspreidden zich in Amsterdam. De Canadezen hadden al zo vaak een stad bezet, die hadden mij daar niet bij nodig.”
 
Afhandeling Duitsers
 Niek wilde nu snel met Wrinch naar de Duitsers in de Spuistraat. Hij wilde zijn belofte aan de Duitsers nakomen door met de generaal terug te komen. Maar Wrinch had geen haast. Hij wilde eerst het hoofd van het telefoondistrict van plaatselijk Amsterdam spreken en die persoon werd opgehaald. Tot zijn verbazing zag Niek ook nog een oud-collega Van Katwijk, die uiterst verbaasd was dat Niek als militair optrad in Amsterdam. Niek: “Generaal Wrinch ging ergens in een kamer praten, hij wilde geloof ik ook nog de burgemeester spreken, maar die was er waarschijnlijk niet. Hij stelde zich op de hoogte van de plaatselijke situatie. Op een gegeven moment drong ik toch bij hem aan, want die Duitsers die zaten nog te wachten. “Nou”, zegt hij, “die Duitsers kunnen wachten, daar hebben wíj zo lang op gewacht!” Wrinch is toen even naar de Duitse commandant gegaan, heeft een paar nietszeggende woorden uitgesproken en zich verder niet met hem bemoeid. Dat was een reuze tegenvaller voor die Duitse officieren, want ze werden totaal genegeerd.”  
 
Conqueror of Amsterdam
Een enerverende dag komt voor Niek ten einde. Niek: “Mijn rol was toen wel uitgespeeld. Wrinch zal met zijn mensen overlegd hebben over de organisatie van de inname van Amsterdam. De Duitsers zijn waarschijnlijk de volgende dag afgevoerd. Wij zijn in onze HUP  teruggegaan naar Hilversum en ook Wrinch is later teruggekeerd naar Hilversum. Er bleven Canadese troepen gestationeerd in Amsterdam die ervoor moesten zorgen dat er geen nieuwe onlusten uitbraken.” Maar er komt toch nog een triomfantelijk moment voor Niek. “De volgende morgen kwam ik in de mess in de Beethovenlaan in Hilversum en daar hadden de officieren zich daar verzameld en riepen luid: "Nick, the conqueror of Amsterdam!" Toen stond ik toch wel even te kijken. Een toeval, tot een goed einde gebracht, mede dankzij de Dutch Boys en generaal Wrinch.”
 

noten

1 Hen Bollen en Paul Vroemen, Canadezen in actie (Warnsveld 1994) 251-252-254.
 2 Brigadier Wrinch (Nederlands: brigadegeneraal) was Chief Signal Officer in het First Canadian Corps. Aangezien Niek tot het Signal Corps behoorde, was Wrinch zijn commandant.
 3 Zie het artikel: ‘Wat gebeurde er toch bij De Nude?’ op deze website (Home). 
 
Naschrift
Het verhaal hierboven komt rechtstreeks van Niek de Bode zelf. We zijn nog bezig met bronnenonderzoek voor dit artikel, maar vanwege de coronacrisis zijn archieven vooralsnog gesloten voor onderzoek. Hebt u aanvullingen voor ons? Dan kunt u deze aan ons mailen via reageer@niekdebode.info.


 

2e Luitenant Niek de Bode (r) en Warrant officer Tom Baines. (Foto: familiearchief X. de Bode)
Fragment uit brief Wim de Bode, de jongere broer van Niek, 11 mei 1945 aan?? (Overgetypt van origineel,  familiearchief X. de Bode)
 
"Onder een aan het waanzinnige grenzende enthousiasme trokken de eerste Canadese legerscharen de Berlage brug over, Amsterdam binnen, en zodoende had ik zo ongeveer de primeur vanaf m’n kamer. Reeds had de optocht enige uren geduurd toen zich plotseling een auto uit de file losmaakte en op ’t pleintje ging staan, voor het huis, direct schoten enige meisjes toe om met vrijen te beginnen en ik was zozeer in het proces verdiept, dat ik niet merkte dat er gebeld werd. Plotseling stond er een Canadees officier voor me, hakgeklap en salueren, een revolver, een echte Canadese snor en een baret, dat was mijn eerste indruk. Toen kwam ik tot de ontdekking dat het Niek was. Van puur enthousiasme heb ik hem zowat in de hoek gefrommeld, of ’t raam uitgesmeten, ik weet het niet meer. Direct ben ik meegegaan met hem. Hij was overigens weinig veranderd, ’t was uiterst moeilijk om iets omtrent de familie los te krijgen, maar ik hoorde wel zoveel, dat eruit bleek, dat iedereen het goed maakte, dat Corrie een baby verwacht, dat Henny nog niet terecht is, dat oma alles ten spijt nog leeft, en dat Qu een verloving nabij zou zijn. ’t Huis zou herschapen zijn in een militair tehuis voor Canadeesjes, zonder ruiten, en de verwoestingen moeten enorm zijn. Verder weet ik nog niets."
Het insigne dat Niek probeerde uit het zicht van de Duitsers te houden. (Familiearchief X. de Bode)
Vaantje dat Niek  op de Dam kreeg van een onbekend meisje. (Familiearchief X. de Bode)
Fragment uit brief aan Niek de Bode van padvinder Gräber over  zijn belevenissen opde Berlagebrug op 8 mei 1945. (Familiearchief X. de Bode)
Officiersmess in de Beethovenlaan te Hilversum. Niek staat niet op deze foto. Deze villa is later afgebroken. Foto: familiearchief X.de Bode.